Oosterse Logica (een sprookje)
In het kleine dorpje waar ik woonde, stond ook een klein gemeentehuis. Nu moest ik daarheen, om mijn gisteren ingeleverde familiekaart op te halen, er waren wat wijzigingen van onze burgelijke staat bij het gemeenthuis opgegeven.
Vandaag zou ik de kaart kunnen ophalen, zo was mij verzekerd.
In het schaars verlichte gemeentehuis waren drie loketjes, achter het eerste loket werd ik een dommelende ambtenaar gewaar, de andere twee loketten waren verlaten. Bij mijn verschijning voor het loket keek de dientsdoende ambtenaar mij een beetje verstoord aan, “Waar kan ik u mee van dienst zijn ? ” vroeg hij met een monotoon stemgeluid.
Ja, Meneer , ik kom mijn familie kaart ophalen, die is toch wel klaar ?
De ambtenaar antwoorde met vlakke stem: “Dan moet u bij loket drie zijn”
“Bij loket drie” vroeg ik, “daar zit niemand en gisteren konden anderen ook hun familiekaart ophalen bij loket een.
“Dat waren andere familiekaarten” zei de ambtenaar kortaf, “u moet naar loket drie”
Ik probeerde het zwakjes nogmaals, “Meneer, er bestaat maar een soort familie kaart, hoe kunnen er dan andere familiekaarten zijn?”
De ambtenaar keek mij medelijdend aan en sprak wat strenger” Meneer u moet naar loket drie of anders wordt u niet geholpen vandaag”
“Ja maar daar zit geen ambtenaar !” riep ik.
“Meneer, wacht u rustig bij loket drie op uw beurt, de ambtenaar komt zometeen”.
Ik begaf mij schoorvoetend naar loket drie, alwaar ik naar een lege beambte stoel keek.
Tot mijn verbazing begaf de ambtenaar zich, statig en imposant schrijdend op weg van loket een naar loket drie.
Daar aangekomen, zette hij de ambtelijke zetel in de voor hem juiste positie, liet zich er statig in zakken, wrong zich wat heen en weer tot hij de perfecte positie had, om vervolgens ijverig een stapel niet aanwezige documenten te gaan doornemen.
Verveeld bladerde hij verder, streek zich eens door het spaarzame haar, stak een kretek cigaret op, blies een zware rookwolk in mijn richting, om vervolgens met luide doch vriendelijke stem te vragen:
“En Meneer, waarmee kan ik u van dienst zijn ?”
Een beetje stamelend zei ik: “Goedenmorgen Meneer ik had gisteren mijn familie kaart ingeleverd en die zou vandaag klaar zijn , weet u nog wel ?”
De ambtenaar sprak “een momentje Meneer even zoeken” en ging vervolgens weer door de niet aanwezige papierbundel bladeren. Na een tijdje zei de ambtenaar: “Het spijt mij Meneer , hij zit hier niet tussen, ik zal even in het archief moeten zoeken.”
De ambtenaar verdween achter een tripleks schot, en bleef vervolgens lange tijd onzichtbaar.
Na een half uurtje kwam hij weer tevoorschijn, mijn familiekaart trots omhoog houdend.
Op een wat vrolijkere toon melde hij mij: ” Meneer, ik heb hem gevonden !”
“Ooh” zei ik “kan ik hem dan ook meenemen, de lege’s zijn gisteren al voldaan”.
De ambtenaar zette een onheilspellend gezicht op, onder begeleiding van de woorden:
“Meneer, dat zal pas kunnen als de kaart opnieuw door de gemeente is afgestempeld, anders is die kaart niet rechtsgeldig, begrijpt u ?”
Wat nu te doen, dacht ik bij mezelf, voorzichtig probeerde ik ” Meneer er staat op uw bureau een rekje met tien stempels, daar kunt u toch mee stempelen ?”
De ambtenaar keek mij streng aan onder de bewering: “Meneer, dat zijn niet de goede stempels” , waarop ik: “Meneer , wanneer zijn de goede stempels er dan wel? U heeft er bovendien gisteren wel familiekaarten mee afgestempeld.”
De ambtenaar begon een beetje rood aan te lopen en met duidelijk geirriteerde stem: “Meneer, gisteren was niet vandaag en de regels veranderen voortdurend, gaat u mij nu als burger zijnde vertellen welke stempels ik wel of niet kan gebruiken, toevallig is er maar een hier die zoiets beslist, en dat ben ik !”
Daar stond ik dan, goed raad was duur, men moet in dit land toch altijd nog wel beleefd blijven tegen ambtenaren, wil men ook maar iets gedaan krijgen.
Ik besloot een laatste poging te wagen: “Meneer, als dat niet de goede stempels zijn, kunt u dan misschien aan een stempel komen. dat wel goed is?”
Het op onweer staande gezicht van de ambtenaar klaarde aanzienlijk op: “Meneer, het correcte stempel is te koop in de winkel aan de overkant.”
Achteloos trok ik en briefje van honder duizend en overhandigde dat zwijgend aan de ambtenaar, die dat geruisloos in het daarvoor bestemde zakje van zijn overhemd liet verdwijnen.
Vervolgens trok de ambtenaar een stempel uit het reeds aanwezige rekje, stempelde de kaart af, en zei: “Meneer uw kaart, goedenmiddag………………………”
Trackback URL voor dit bericht: http://www.marja-dichter.nl/a-marja-zn/a-marja-zoon-koos/koos-marja-hoekje/oosterse-logica-een-sprookje/trackback/


Laat een antwoord achter
U moet ingelogd zijn om een reactie te kunnen geven.