Wist U dat .. ?

A. Marja : StudentsOnly : Snippers op de rivier

Op:

Boekverslag A. Marja Gedichten.nl

Gelezen:

En hun het gevoel te geven dat ze niet de enigste zijn die dat hebben.

Enigen zullen nooit de enigsten worden..

Ha..ha......Ben Brittijn........En dat voor studenten !!

Heeft U een leuke of minder leuke anecdote over A. Marja . ?
Stuur die in, dan wordt die hier geplaatst.

A. Marja in memoriam

Nederlands Dagblad 5 oktober 1985

 

A. Marja:

een gelovige

barstend

van ongeloof

 

door Dirk Zwart

============================
Lees de originele pdf versie:
Nederlands Dagblad – A. Marja

 

Toen Arend Theodoor Mooij, beter bekend onder zijn schrijversnaam A. Marja, op 10 januari 1964 overleed, waren er die dit verscheiden op zijn zachtst gezegd niet betreurden. Want, in meerdere mate dan dit over het algemeen het geval is bij auteurs, had Marja vijanden. “Herdenkingsartikelen bleven in de volgende dagen en weken spaarzaam. Vele ‘betrokkenen’ voelden kennelijk niet veel voor een last post voor een lastpost”, schrijft Wim Hazeu in zijn boekje A. Marja, dichter en practical joker (1917-1964), een’biografische schets’ die in verkorte vorm reeds gepubliceerd werd door Vrij Nederland (7-1-1984).

 

Meer dan door zijn werk verwierf Marja tijdens zijn leven bekendheid c.q. beruchtheid door zijn zogenaamde ‘practical jokes’. In 1963 schreef W.F. Hermans in Podium: “Er kwam een taxi voorrijden die ik niet besteld had. Zou A. Marja in Groningen wezen?”. Vrienden en vijanden waren het doelwit van allerlei soorten grappen. Spotverzen, op een briefkaart aan de betreffende gestuurd of openlijk gepubliceerd, hadden soms verstrekkende gevolgen. Zo is er in het boekje van Hazeu sprake van maar liefst vijf ‘affaires’, waarbij Marja (daargelaten of hij altijd terecht tot zondebok werd gemaakt) steeds meer vijanden maakte en vrienden verloor. Het is dan ook niet verbazend dat sommigen aanvankelijk twijfelden aan de echtheid van Marja’s overlijdensbericht, daar hij een dusdanig bericht al eens verspreid had. Zo ging hij de geschiedenis in als het ‘enfant terrible’ van de Nederlandse letteren.

“Wie was deze dichter, medewerker van tientallen bladen en kranten (…), die in het gedicht De Misanthroop schreef: “Mijn enige vermaak: dat ik u op uw smoelen braak”, die de recherche op zijn dak gestuurd kreeg door literatoren; en over wie Gerrit Achterberg opmerkte: “Je moet veel van Marja houden om van hem te kunnen houden.” “ Deze vraag tracht Hazeu in zijn boekje te beantwoorden, indachtig Marja’s woorden ”… dat is juist interessant opgediende, typerende anekdotes en psychologische portretten van schrijvers mij stimulerender lijken dan quasi-diepzinnige analyses van hun werk”.

 

Hij bleef  zichzelf blootgeven en vervolgens verdedigen, meestal via opmerkingen over anderen.

Wij zagen dat in een opmerking over Van het Reve, we zien dat in 1959 ook in een citaat uit het werk van Han G. Hoekstra:

Misschien dat ik dan bij tijden

kon spreken van Gods goed gelaat

en minder keek naar de meiden.

Marja’s commentaar was: ‘Ik spot hier niet mee; ik weet uit ervaring hoe dodelijk ernstig, subjectief, het konflikt kan zijn, dat achter dergelijke regels schuilgaat, en het getuigt, geloof ik, van een gebrek aan elementair psychologisch inzicht als men de binding aan een ouderlijk milieu, die juist bij deze generatie zo sterk vermengd was met de religieuze voorstellingen en opvattingen daarvan, ridiculiseert of tracht weg te redeneren.’

In 1959 kwam ook Marja’s voorlopig laatste dichtbundel uit, Wat ik speelde (Bakker/Daamen), een door vriend en vijand geprezen poëtische evocatie van de Kinderszenen van Robert Schumann. De muziekcriticus Carnelis Basoski schreef: ‘Voortaan kan ik die Kinderszenen van Schumann niet meer horen zonder te denken aan die verzen van Marja, beter nog, zonder ze tegelijk te lezen.’ En Dinaux: ‘Het kind in Marja kreeg vleugels. Hij kroop in Schumanns huid en was mét hem en gelijk hij nog een kind.’ De bundel was opgedragen aan de pianiste Tineke de Smidt. Zijn huwelijk met ‘Wies’ liep op de klippen , en Marja knoopte verschillende relaties aan, onder andere met ‘Els’, die veel typewerk voor hem deed en die nog een rol zal spelen in ons verhaal.

Oorlogspad

In 1960 ging Marja op oorlogspad, maakte en vond nieuwe vijanden en slachtoffers, onder wie J. De Kadt en Jan Gresshoff. De Kadt vond hij nog gevaarlijker dan Gans of Pasquino, omdat hij in het oog van het publiek voor socialist doorging, maar die toch maar pleitte voor de oprichting van een partij die nog ‘rechtser’ zou moeten zijn dan de Partij van de Arbeid. ‘Het is dus niet uitgesloten dat hij – om de laatste smetten van zijn parij-communistische verleden uit te wissen – zijn interessante carriëre zal eindigen als commissaris van Elsevier of aandeelhouder van De Telegraaf!’ Op De Kadt, ‘polemist, acrobaat en selfmade-socioloog’, schreef hij het volgende spotdicht:

 

Het Russofieltje

Het kwaad dat gij zo graag van ginds vertelt

zal ik, hoe zeer het mij spijt, geen liegen heten;

wat daar om zeep ging, heeft ook mij ontsteld,

maar dat mij hier uw onwelriekend zweten,

uw opgeblazenheid onzegbaar kwelt,

maakt dat ik haast wat ginds knelt zou vergeten;

en daarom dient eens duidelijk gesteld:

gij loost niet wat u eerlijk heeft gespeten,

maar als gij afstoot waar u ’t lijf van zwelt

dan aborteert gij, steeds nog, met geweld

de restjes van uw progressief geweten.

 

De aanval Op Greshoff had een voorgeschiedenis. Aanvankelijk citeerde hij Greshoff met instemming. Hij riep hem zelfs als getuige op bij zijn verdediging van de anekdotische, aardse Forumpoëzie tegen de lyrische, hemelse van Aafjes en Hoornik. ‘Het is niet toevallig, dat pas de latere Greshoff, de anekdotische, de waardering heeft gevonden, waarop hij door zijn meesterscchap in dit genre zijn rechten mocht doen gelden. Greshoff zou nooit zijn onvervangbare plaats zijn gaan innemen, zo hij zich minder gewetensvol rekenschap had gegeven van zijn eigen aard en de wijze van uitdrukking, die daarmee in overeenstemming was.’ (geschreven in 1940).

Maar de jaren verstreken, en Greshoff gleed naar ‘rechts’ uit, wat Donkersloot niet verhinderde om nog in 1959 in het ‘linkse’ blad De Nieuwe Stem te schrijven: ‘Greshoff heeft zich ontwikkeld als dichter en als publicist tot de markante, militante figuur zoals men hem algemeen in onze literatuur kent, strijdbaar, ontvlambaar, prikkelbaar, speels en ongrijpbaar.”

Nog geen tien maanden later haalde Marja naar Greshoff uit, wiens schrijfsels ‘geloof ik, alleen nog door ex-KNIL-officiers en een bepaald soort Haagse dames aux serieux worden genomen’.  Voorbijgaand aan zijn vroegere waardering voor Greshoff, van wie hij zelfs regels als motto’s van zijn werk gebruikt had, citeerde Marja in 1960 uit Greshoffs Dichters in het koffijhuis (uit 1925!). Greshoff schreef over een Berlijns café en de schrijver Franz Werfel: ‘Toen werd hij belachelijk, als voordrager, met zijn rode ronde hoofdje, met zijn kleffe krulhaartjes en zijn ongemakkelijke gebaren. Het succes was groot. Zoals te verwachten viel van een publiek gerecruteerd uit het Café des Westerns en het “intellectuele” jodendom van Berlijn.’ Conclusie van Marja: ‘Ik heb altijd het gevoel gehad dat Greshoff het rijk van Hitler een beetje mee heeft helpen stichten.’ Deze opmerking en die andere naar Sierksma toe, zouden hem later opbreken.

Nu Jij Plaats op Nu Jij

Trackback URL voor dit bericht: http://www.marja-dichter.nl/a-marja-zn/a-marja-in-memoriam/trackback/

Reacties gesloten.